Bont & Blauw

Porselein in Amsterdam,

De Oorsprong van Amsterdams Bont


Amsterdams Bont is de benaming voor oosters porselein dat in de 18e eeuw kleurrijk werd overschilderd. Maar anders dan bij b.v. Delfts Blauw is de naam een raadsel, want zover bekend werd er in Amsterdam geen porselein overschilderd. In elk geval is in de literatuur hierover niets te vinden. Het belangrijkste artikel is dat van W.J. Rust uit 1965. Hij schrijft: “De benaming Amsterdams bont is echter wel heel vreemd en ik weet er waarlijk de oorsprong niet van.”[1] En hij besluit zijn artikel met: Wellicht worden na verschijning van deze bijdrage nog niet gepubliceerde ontdekkingen, onder andere op archivalisch gebied, aan het licht gebracht. Misschien zou deze publicatie dan een vervolg kunnen krijgen of geheel gewijzigd dienen te worden.” 


Waar komt de naam vandaan? Tegenwoordig kun je op Delpher.nl gemakkelijk uitzoeken wanneer een naam of uitdrukking voor het eerst op schrift verschijnt.[2] Voor zover na te gaan was dat in 1917 toen een zeker ‘M’ In een artikel over handelstermen voor aardewerk schreef: "Misschien kan hier nog even gewezen worden op het z.g. ‘Amsterdamsche Bont’. Dit is Chineesch porcelein met zeer eenvoudig blauw décor. Hier overheen (en zelfs zeer willekeurig) werd ’n ander décor in kleuren ingebrand, meest van een half Europeesch, half Oostersch ontwerp. Appelplukkers, scheepjes enz. Het is ’n geheel apart staand soort van porcelein. Waar de naam Amsterdamse Bont vandaan komt, is moeilijk te zeggen.”[3] ‘M’ was waarschijnlijk de heer Mak van Waay, een antiquair uit Dordrecht die de naam had bedacht om orde te scheppen in de verwarrende namen voor verschillende soorten porselein. Hoe dan ook, ik ben geen eerdere vermelding tegengekomen.


Maar waar werd het dan geproduceerd? Wanneer je iets ‘Amsterdams’ noemt mag je aannemen dat het daar ook vandaan komt. En als het daar gemaakt werd, dan moeten er sporen van terug te vinden zijn, en die zijn er ook! In de 18e eeuw mochten er in Amsterdam alleen met toestemming van het stadsbestuur ovens of open vuren geplaatst worden. De aanvragen en toestemming hiervoor werden bijgehouden in het minuutregister van schout en schepenen. Tegenwoordig zijn die op de website van het Amsterdamse gemeentearchief te raadplegen.[4] Het blijkt dat van 1757 tot en met 1785 achtmaal toestemming werd gevraagd- en verleend voor de plaatsing van porseleinovens. (Waarschijnlijk meer, maar dat is niet na te gaan omdat het register van mei 1765 tot januari 1772 –zeven jaar!– ontbreekt). 



Overzicht van gevonden aanvragen & permissies voor plaatsing van ovens door porseleinschilders in het minuutregister:


  1. 1757 (blz.255) Actum den 11 Junij  Abraham Alexander …weezende een Porcelyn Schilder… wonende in de Kerkstraat tussen de Amstel en de Weesperstraat circa in het midden, aan de zuid zijde krijgt toestemming voor een droogoven in het achtergebouw.
  2. 1762 (blz.130) Actum den 25 February  Abraham Alexander & Comp., wonende in de Weesper Kerkstraat tussen den Amstel en Weesperstraat aan de noordzijde krijgt toestemming voor een oventje om porcelein te emailleeren in het achterhuis.

    (De periode mei 1765 tot januari 1772 ontbreekt in het minuutregister)
  3. 1772 (blz.7) Actum den 17 January  Abraham Alexander, ’posteleinschilderer’ wonende in de Lange Houtstraat in de Turfdragersgan krijgt toestemming voor een droogoven.
  4. 1772 (blz.48) Actum den 9 Sept Hartog Abrahams, wonende Raapenburgstraat aan de westzijde in het midden krijgt toestemming voor een oventje op de open plaats achter het huis.
  5. 1776 (blz.255) Actum den 7 May Michiel Abrahams, wonende in de Kerkstraat tussen den Amstel en Weesperstraat en ‘…onkundig weesenden…’  (het oventje stond er kennelijk al) krijgt toestemming vooreen fornuis ter drooging van aardewerk…’ (Door het overlijden van zijn vader Abraham Alexander op 1 oktober 1775 was de aanvraag er kennelijk bij ingeschoten.
  6. 1778 (blz.372) Actum den 27 May Hartog Abrahams, wonende in de Rapenburgerstraat aan de oostzijde krijgt toestemming voor ‘…Posteleyn Schilders Oven fournuijs …. in het Tuynhuis’.
  7. 1780 (blz.481) Actum den 6 Juny Hartog abrahams, wonende in de Rapenburgerstraat aan de westzijde krijgt toestemming voor een extra ‘…postelijn oventje…’
  8. 1785 (blz.143) Actum den 3 may Hartog Abrahams, porseleinschilder wonende op de Herengacht tussen de Amstel en de Houtmarkt krijgt toestemming voor een oventje.


Wie waren die aanvragers? Dat blijken drie asjkenazische joden te zijn: Abraham Alexander[5] was de initiatiefnemer met drie aanvragen, 15 jaar later gevolgd door Hartog Abrahams, die vier aanvragen deed. De derde, Michiel Abrahams[6] deed slechts eenmaal een aanvraag in 1776, voor een droogoven die kennelijk zonder de benodigde toestemming was geplaatst. Michiel was de oudste zoon van Abraham, die later dat jaar overleed. Mogelijk die aanvraag door ziekte van Abraham erbij ingeschoten. 

Je zou denken dat Hartog Abraham óók een zoon was, maar daar kan ik geen aanknopingspunten voor vinden. Wel zijn is er in de begraafboeken van Zeeburg twee overleden kinderen te vinden van een Hartog Abraham P’osjtêlijn Sjlindêrêr te vinden (transcriptie Jits van Straten).


De porseleinschilders werkten vast niet alleen. Bij de tweede aanvraag staat expliciet vermeld: “Geven reverentelijk te kennen Abraham Alexander & Comp. …”  Met acht ovens verspreid over vier locaties moeten er een groot aantal personen meegewerkt hebben. 


plattegrond.jpg

Verspreiding van porseleinovens in Amsterdam


Opvallend is dat 20 jaar voordat Abraham Alexander zijn eerste aanvraag voor een oven, de toevoeging P’osjtêlijn (Sjlindêrêr) verschijnt in de joodse burgerlijke administraties.[7,8] Daarna komt de naam (op alle mogelijke wijze geschreven) steeds vaker voor. Meerdere families begonnen te toevoeging 'porselein' aan hun naam te gebruiken. Zo zijn er grofweg vijf te onderscheiden, waarvan een aantal door huwelijk met elkaar was verbonden:

  1. Postelijn(schilderer) 
  2. Digtmaker Cohen-Porcelijnschilder
  3. Boas Levie (Postelein);
  4. Pool Schilderer
  5. Levie-Postelijn‏‎/Levie-Porcelein.


De fabricage van Amsterdams bont  betrof een joodse huisindustrie verspreid over meerdere locaties in de Joodse wijk waarbij meerdere families samengewerkten. Rust zegt hierover: De productie van porselein met Amsterdams bont-decor moet enorm groot geweest zijn…”[9] 



Maar het duurde allemaal niet erg lang. De concurrentie met vooral het Engelse porselein werd te groot en het Amsterdams bont raakte uit de gratie. Na 1785 werden er geen aanvragen voor ovens meer gedaan, hoewel een enkeling zich tot in de 19e eeuw met porselein bezig bleef houden.[10]



Toen in de napoleontische tijd burgers verplicht werden een vaste familienaam te kiezen waren het slechts twee zonen van Abraham Alexander die de naam Porcelein/Porcelijn aannamen. 


Maar een eigenwijze kleindochter van Michiel blijft zich tot haar dood in 1899 Porcelijnschilder noemen. Overigens veranderd de naam in Amsterdam voor de nakomelingen van Emanuel Abraham al snel tot Porcelijn. Allen de tak die buiten Amsterdam (o.a. Groningen, Friesland) terecht komt, behoudt de schrijfwijze Porcelein. 







Blijft de vraag hoe een paar Asjkenazische joden aan de kennis en techniek kwamen voor het produceren van Amsterdams Bont. In Delft was de faience-industrie al in de 16e eeuw tot bloei gekomen. Om te kunnen concurreren met Aziatische porselein werden nieuwe technieken en procedé’s ontwikkeld, en rond 1700 begonnen een aantal ceramisten te experimenteren met overdecoratie van oosters porselein[11,12,13] Biancalana[14] noemt als bijvoorbeeld: Jeremias Godtling, Jan Verhaast, en Gerrit van der Kaade, die van 1705 tot 1740 stond ingeschreven bij het Delftse Sint Lucas Gilde als pottenbakker en handelaar in "Oost indiese posteleijne". Maar het is niet waarschijnlijk dat de Amsterdamse porseleinschilders daar hun kennis hebben opgedaan. Dat hoefde ook niet, want in 1729 trok de Delftse pottenbakker Elias Colier naar Amsterdam om daar de zus van de porseleinhandelaar Daniel Raap te trouwen. Nog datzelfde jaar vroeg- en kreeg hij toestemming voor het plaatsen van een porseleinoven op het Roeterseiland[15]. Daarmee was hij de eerste porseleinschilder in Amsterdam.


1729 Colier.jpg

“Geeft met behoorlijke onderdanigheid te kennen Elias Colier, wonende binnen deze stad dat hij Suppl. Mede heeft uitgevonden en met weynig personen tot Delft eenigentijd aldaar geoefend de kunst om porceleyn te gloeien, en zodanig coleuren te geven als zij des goedvinden, dat daartoe een oventje nodig is…”


Hoewel het overschilderen en moffelen van porselein niet zo ingewikkeld is[16] komt er toch het een en ander bij kijken. Je mag aannemen dat Colier daarvoor hulpkrachten inhuurde, en die waren er volop in de jodenbuurt. Ik stel me zo voor dat een paar handige joden die Colier hielpen, de kunst bij hem hebben afgekeken en later voor zichzelf begonnen zijn.





Tijdens de depressie in de tweede helft van de achttiende eeuw kans zagen om een bloeiende huisindustrie op te zetten met minstens acht ovens op vier locaties waarbij een grote hoeveelheid Amsterdams bont werd geproduceerd.  


Al met al kan men concluderen dat in de achttiende eeuw in Amsterdam zo’n zo’n 30 jaar 'Amsterdams bont' geproduceerd  

. Men, voldoende om de naam voor hun product te rechtvaardigen: Amsterdams Bont kwam gewoon uit Amsterdam. 

Het geslacht Porcelijn 



–.png


Referenties:


[1] W.J. Rust; Een classificatie van Amsterdams bont in Mededelingenblad Vrienden van de Nederlandse ceramiek no. 41; 1965; p.9 - 21. Quote is van p.10 noot 4.


[2] www.delpher.nl


[3] Oude kunst; een maandschrift voor verzamelaars en kunstzinnigen, jrg 2, no.11, 01-08-1917 p.330 –  ‘M’ was waarschijnlijk de heer S.J. Mak van Waay, die waarschijnlijk orde wilde brengen is de vele verwarrende benamingen voor verschillende soorten porselein. Overigens verscheen dezelfde tekst verscheen dat jaar ook nog tweemaal in De Hollandsche Revue:

De Hollandsche revue jrg 22, 1917, no 9, 23-09-1917   p.529

De Hollandsche revue jrg 22, 1917, no 12, 23-12-1917 p.730


[4] Gemeentearchief Amsterdam, 5061 Inventaris van de Archieven van de Schout en Schepenen, 1287-1300 Schep. Minuut reg. Der requesten… 1709 - 181  Hier zijn vanaf 1757 de volgende aanvragen te vinden:

1. KLAC01979000131  1757  Actum den 11 Junij  Abraham Alexander

2. KLAC02008000078  1762  Actum den 25 February  Abraham Alexander & Comp

3. KLAC01953000006  1772  Actum den 9 Sept Hartog Abrahams

4. KLAC01953000027  1772  Actum den 17 January  Abraham Alexander

5. KLAC01953000130  1776  Actum den 7 May Michiel Abrahams

6. KLAC01953000189  1778  Actum den 27 May Hartog Abrahams

7. KLAC01953000244  1780  Actum den 6 Juny Hartog abrahams

8. KLAC01973000126  1785  Actum den 3 may Hartog Abrahams


[5] Zie https://www.dutchjewry.org/genealogy/ashkenazi/3789.shtml


[6] Zie https://www.dutchjewry.org/genealogy/ashkenazi/6584.shtml
bij de aanvraag staat vermeld ‘onkundig wesende tot het stellen van een Extra vuurplaats, alvorens te hebben permissie van Weld’. Achbt.’ , het oventje stond er kennelijk al.


[7] De begraafboeken van Zeeburg, Jits van Straten (2000). Uitgever: Stichting Bevordering Onderzoek Joodse Historische Bronnen. ISBN: 9789080324428.

p.172: op [31-10-1734], zoon van Nathan P’osjtêlijn

p.44: op [17-12-1751], Abraham Boas P’osjtêlijn

p.44 op 29 Kislev 5512 [17-12-1751], Abraham Boaz Postelein 

De joodse administratie werd in het Jiddisch en in het Hebreeuws bijgehouden. P’osjtêlijn en Sjlindêrêr zijn letterlijke transcripties uit het Hebreeuws zoals gedaan door Jits van Straten in ‘Circumcisions & Births in Amsterdam 1697-1811’ (2004). Voor een toelichting zie de inleiding aldaar.


[8] ‘Circumcisions & Births in Amsterdam 1697-1811’ (2007), Jits van Straten. p.181

03-05-1750 besneden, Porcelijn, Abraham vv Juda Levie bsn 1287, 350 (zoon van Abraham Boas Postelein)

03-05-1750 besneden, Porcelijn, Abraham vv Juda Levie  bsn 1293,  80  (zoon van Abraham Boas Postelein)

19-07-1751 besneden, Porcelijn, David  vv David bsn 1293, 138 (zoon van Abraham Boas Postelein)

19-07-1753 besneden, Postelein Alexander Ziskind ben Abraham bsn (zoon van Abraham Alexander Postelein)



[10] J.J.Boas Berg in: Catalogus van de ‘Historische Tentoonstelling van Amsterdam 1876, p.137. Zie ook de advertentie van E.M. Digtmaker & Zn. in het Algemeen Handelsblad van 02-05-1837


[11] O. du Sartel: Le porcelaine de Chine ... 1881, p.216 


[12] F. Brinkley: China: Its History, Arts and Literature 1905, p.237


[13] W.W. Winkworth The Delft Enamellers 1928, in: The Burlington Magazine for Connoisseurs Vol. 52, No. 303  p.296


[14] A. Biancalana (2022) Gli hausmaler su porcellana: un fenomeno complesso e ancora poco conosciuto. Parte VI, in Antiqua, mei 2022. — citaat is een Engelse Google-translate vertaling uit het Italiaans. Haar conclusie over de porseleinschilders, dat:  It seems that this activity was concentrated in Delft, Makkum and Harlingen, perhaps to a lesser extent in Rotterdam and also Amsterdam’  is duidelijk verkeerd)


[15] Gemeentearchief Amsterdam, 5061 Inventaris van de Archieven van Schout en Schepenen, 1287-1300 Schep. Minuut reg. Der requesten… 1709 - 181:

KLAC02054000090 (abusievelijk staat hier Realeneiland i.p.v. Roeterseiland vermeld, dat aan de geheel andere kant van de stad ligt)


[16]  S. Bleekrode: Porseleinschilderen, in het Tijdschrift ‘De Volksvlijt’ 1856; Pag. 133 en verder.



–––o–O–o–––


Onderdeel van Tom's Thuisserver

03/07/2026